GESCHIEDENIS VAN DE FILOSOFIE
PLATO: ZIEL EN ONSTERFELIJKHEID
De menselijke ziel is volgens Plato
uit drie functies opgebouwd: denken, wil en begeerte.
Het denken heeft zijn zetel in het
hoofd, het gevoel in de borst, de begeerte in het onderlijf.
Alleen het denken, de geest, vormt
het onsterfelijke bestandsdeel, dat zich bij het intreden van het lichaam met de overige
verbindt.
De onsterfelijke ziel heeft noch
begin noch einde en is wat wezen betreft een met de wereldziel.
Al onze kennis is wederherinnering
uit de oorspronkelijke staat en de vroegere belichamingen van de ziel.
'Daar nu de ziel onsterfelijk is en
vele malen geboren en zij alle dingen die hier en in de benedenwereld zijn, heeft gezien,
is er niets wat zij niet ervaren heeft en het is daarom niet te verwonderen, dat zij in
staat is zich de deugd en al het andere te herinneren, wat zij toch vroeger reeds geweten
heeft.
Want gezien het feit dat de gehele
natuur onderling verwant dat de gehele natuur onderling verwant is en de ziel alles heeft
meegemaakt, is er niets dat verhindert dat hij die maar aan een kleinigheid herinnerd
wordt, iets wat bij de mensen leren heet, al het overige uit zichzelf vindt, mits hij
moedig is en onverpoosd in het zoeken.
Want het zoeken en leren is geheel en al herinnering.'
De ziel bestaat uit drie functies:
Denken (zetel in het hoofd)
Wil/gevoel (zetel in de borst)
Begeerte (zetel in het onderlijf)
Alleen het denken, oftewel de geest, is onsterfelijk.
De ziel is onsterfelijk, heeft geen begin of einde, en is van dezelfde aard als de wereldziel.
Kennis is herinnering: alles wat we leren, is in feite een her-innering aan wat de ziel al eerder heeft ervaren in vorige levens.
Omdat de ziel alles al heeft meegemaakt, kan ze zich deugd en andere kennis herinneren — mits men moedig en volhardend zoekt.
De hele natuur is onderling verwant, en de ziel heeft toegang tot alle kennis door innerlijke reflectie.
Leren