LEVENDE
GEDACHTEN
x
OSHO
x
KRISHNAMURTI
x
MAHARISHI
x
MEHER BABA
x
SAI BABA
x
VIVEKANANDA
x
BHAGAVAD GITA
x
MYSTIEK
x
NIETZSCHE
SPINOZA
FILOSOFIE OVERIGE
x
I TJING  
x
THOMAS EVANGELIE
x
OVERIGE
x
CITATEN
x
TREFWOORDEN & LINKS
x
SITEMAP
x
HOMEPAGE

 

      FILOSOFIE: LEER DER GROTE DENKERS 

  LEIBNIZ: DE GRONDBEGINSELEN  

Bij het opsporen van de eerste, elementaire waarheden stiet Leibniz op een fundamenteel onderscheid, namelijk op algemene en op bijzondere waarheden, op aximata en op feiten, of, met zijn eigen woorden uitgedrukt, op redelijke waarheden en op feitelijke waarheden.

Dat het deel steeds kleiner is dan het geheel, is een redelijke waarheid, dat de roos een aangename geur verspreidt is een feitelijke waarheid.

En tegelijk bij dit zoeken naar 'eerste waarheden' ontdekte Leibniz de algemeenste principes van het logisch-deduktieve besluiten, namelijk:

1. de stelling van de identiteit, en de daarmee samenhangende stelling van de contradictie.

2. de stelling van de toereikende grond.

Onze redeneringen zijn gebaseerd op twee grote principes, dat van de contradictie, op grond van waarvan wij als zijnde 'verkeerd' oordelen, dat wat het omsluit en 'waar', dat wat tegengesteld of in tegenspraak is met dit verkeerde. En dat van de toereikende grond, op grond waarvan wij van oordeel zijn, dat geen enkel feit zich kan bewaarheiden of bestaan, en ook geen enkele ware uitspraak, zonder dat de toereikende grond is aan te geven, waarom het zo is en niet anders, hoewel deze gronden meestal door ons niet kunnen worden gekend.

Op deze manier onderscheidde Leibniz de eeuwige 'redelijke' of metafysische waarheden van enkel maar 'feitelijke' waarheden en noemde de eerste ook gaarne 'noodzakelijk', de laatste 'toevallig'.

De eeuwige en noodzakelijke waarheden kenmerken zich door de onmogelijkheid van hun tegendeel (dit leert de fundamentele stelling van de contradictie); zijn kunnen op tal van mogelijkheden, op alle 'bijzonder waarheden' toegepast worden en hebben geen onmiddellijke betrekking op de werkelijkheid.

Bij de toevallige, de feitelijke waarheden blijft het tegendeel steeds denkbaar; zij hangen niet af het begrip van het ding, doch van diens samenhang met andere dingen; alleen afgaande op het inzicht van hun 'toereikende grond' kan men hen in wezen leren kennen.

De eeuwige waarheden staan onwankelbaar vast, zijn volstrekt noodzakelijk, de feitelijke beschikken slechts over een hypothetische, een waarschijnlijke zekerheid, zij hadden ook evengoed niet kunnen bestaan.

De eerste bezitten de hoogste waardigheid, want zij hebben hun oorsprong in het goddelijk verstand.

Dit goddelijke verstand is de bron van de mogelijkheid der dingen en de goddelijke wil is de oorzaak van hun werkelijkheid.

Met deze 'redelijke' waarheden begrijpen wij daarom het wezen van de dingen, terwijl de 'feitelijke' waarheden slechts betrekking hebben op het uiterlijke van de dingen, zoals wij mensen dat gewaar worden.

Leibniz had zich van de beginne af ten doel gesteld, het traditionele theistische-teleologische wereldbeeld van de kerkleer, waarin het gemoedsverlangen van zijn diepe vroomheid volle bevrediging vond, met de eisen van de nieuwere tijd, d.i. met de mechanisch-mathematische verklaringswijze van de natuur te verzoenen.

Want de mechanische wetmatigheid werkt inderdaad zonder een uitzondering te dulden, doch, en dat verliezen deze natuurkundigen, naar zijn oordeel, uit het oog: ook dit mechanisme vormt een teleologisch geheel; ook dit grootste mechanisme arbeidt bij voortdurend aan de verwerkelijking van een doel.

Men kan, zegt Leibniz, in dit opzicht een schonen vooruitgang in de wijsbegeerte waarnemen: De Oosterlingen hebben heerlijke en grootse voorstellingen van de Godheid gehad.

De substantie is een wezen bekwaam tot werken - een oorspronkelijke kracht.

Zij is enkelvoudig of samengesteld - dat is de fundamentele these van Leibniz.

Substanties zijn krachten; doch kracht is geen uitgebreid ding, geen res extensa, evenmin dus iets materieels; zij is integendeel iets onruimtelijks, iets immaterieels.

Het lichaam als substantie, het lichaam in zijn wezen, is daarom niet te begrijpen, is daarom niet physich-mechanisch, doch enkel redelijk-metaphysich te begrijpen.

Het wezen van de lichamen is 'kracht', dus is het wezen van de dingen immaterieel; hun ruimtelijk uitgebreide, ondoordringbare vorm is slechts het secundaire resultaat van de werking onze innerlijke-wezenlijke kracht, alles wat de zintuigen, d.i. onze ervaring gewaar wordt, behoort slechts tot de verschijnselenwijze van de dingen.

Als zodanig verschijnsel wordt het lichaam door onze zintuiglijke waarneming slechts in onklare en verwarde voorstellingen begrepen; alleen het rationele denken is in staat tot de kern van hun wezen door te dringen en de dingen der natuur te begrijpen, zoals zij in werkelijkheid zijn: werkende, immateriële krachten.