FILOSOFIE: LEER DER GROTE DENKERS FICHTE: DE DRIE GRONDSTELLINGEN
Het zedelijke bewustzijn nu is zelfbewustzijn; het is niet, gelijk het verstand, bewustzijn van een voorwerp buiten ons,dus een gebonden bewustzijn; het is integendeel een bewustzijn, dat op zichzelf zich richt, zichzelf tot voorwerp heeft;het is dus on-gebonden, vrij.
De zedelijke wil heeft steeds zichzelf tot voorwerp
van zijn willen: hij wil dus niet heteronoom, d. i. terwille van een uitwendige inhoud;
hij wil
autonoom, hij wil zichzelf; hij is zijn eigen wet.
Dit zedelijke zelfbewustzijn is de uitgangspoort naar het wijde veld van het filosofisch onderzoek.
Want de rede, zijnde het onmiddellijke resultaat van
de zedelijke bewustwording van het ik, is steeds p r a k t i s c h e rede, die dan als
zoodanig echter theoretisch of praktisch werkzaan zijn kan, al naardien zij
zich richt op een bepaalden inhoud of op zichzelf.
Bezint zich de rede op een bepaalden inhoud zoo is
zij theoretisch, bezint
zij zich op zichzelf, zoo ontstaat praktische wijsbegeerte.
Om te weten hoe kennis in 't algemeen ontstaat, is het nodig de eerste beginselen van alle weten op te speuren.
Onverschillig of het ik zich op zichzelf bezint of aan een voorwerp (een niet-ik) denkt, geschiedt zulks steeds door middel van een geestelijke bedrijvigheid, een bedrijvigheid van het "IK.
Het niet-ik (het voorwerp) bestaat slechts als een schepping van het ik (van het denken), als product van de werkzaamheid van dit ik.
Het bestaat doordat het gedacht, gesteld (gesetzt) wordt.
Alle kennis is dus een daad van het ik, dat een niet-ik "stelt".
Alle kennis is bedrijvigheid, is handeling, is daad, doch zij is tegelijkertijd weten van deze daad: alle kennis is daad-handeling.
Het ik stelt (setzt) zichzelf, en het is op grond van dit stellen - alleen door zichzelf; en omgekeerd: het ik is, en het stelt zijn zijn, op grond van enkel dit zijn. -Het is tegelijkertijd het handelende en het product van de handeling; het bedrijvige, en dat, wat door deze bedrijvigheid voortgebracht wordt; handeling en daad zijn één en hetzelfde; en daardoor is het: ik ben, uitdrukking van een daad-handeling. (W. W. Dl. I, blz. 96)
Om echter deze oorspronkelijke werkzaamheid van het
"ik" te ontdekken, is abstractie en reflectie nodig; de vorm van deze werkzaamheid
komt ons het duidelijkst tot het bewustzijn, wanneer wij, met opzet, een voorstelling in
ons wakker roepen of een besloten handeling uitvoeren.
Onder gewone omstandigheden zijn beide momenten (de
handeling en de
daad) tot een ongescheiden eenheid verbonden.
Want het "ik", het denken, is niet van zijn
producten te scheiden; het "ik"
zelf bestaat slechts in zooverre het zichzelf voortdurend herschept, zichzelf realiseert
in kennis, in daadhandelingen.
Door den tegen-stand (Duits: Gegenstand, voorwerp)
komt het
tot bewustzijn van zichzelf; door het feit van zijn voortdurende begrenzing van zijn
scheppingsdrang door de geschapen voorwerpen komt het tot weten van zijn scheppen, tot
kennen van deze voorwerpen - tot het inzicht in zijn
onophoudelijk scheppende bedrijvigheid.
Twee fundamentele principes zijn daarmede aan het daglicht getreden.
Ten eerste: het ik stelt zichzelf (als zijnd), doch
het komt slechts tot dit bewustzijn door de daadhandeling, die zich richt op een voorwerp,
een tegen-stand, waardoor het "ik" naar zichzelf teruggestoten wordt (naar
analogie met een geworpen en weerkaatsten bal), zichzelf ontdekt,
dus tot zelfbewustzijn komt.
Tegelijk is daardoor met dit eerste principe het
tweede gegeven: Het ik stelt een niet-ik (als zijnd), met andere woorden: het denken richt
zich
steeds op een voorwerp.
Om van het denken tot de werkelijkheid te geraken is
het dan volgens Fichte enkel nodig, deze beide principes met elkander te verbinden tot een
derde: Het ik stelt een begrensd ik als tegen-stelling tot een begrensd
niet-ik.
Door middel van deze synthese (ontstaande uit these: het eerste principe en anti-these: het tweede principe) komt Fichte tot het begrip van het natuurlijk empirische bewustzijn, van het persoonlijke "ik"; het ontstaat aldus, volgens Fichte, door wederzijdse begrenzing, door een wisselwerking tussen het algemene "ik" en het algemene niet-ik.
De door Fichte hierbij toegepaste methode is de
dialectische.
Hij gaat namelijk van een stelling (these) uit, stelt de tegen-stelling anti-these) daar tegenover en poogt de vereeniging van beide uitersten in een nieuw en hoger product te bewerkstelligen.
Ook hierin volgde Fichte zijn leermeester Kant, die
deze trichotomische wet niet alleen gebruikte bij het opstellen van zijn
categorieëntafel, maar ook in het groot: bij de opbouw van zijn systeem: uit de antithese
tussen de
theoretische en de praktische rede ontsprong de synthetiserende "kritiek van de
oordeelskracht".
Zedelijk bewustzijn = zelfbewustzijn Het morele bewustzijn is geen gerichtheid op iets buiten ons (zoals het verstand), maar op het zelf. Het is autonoom en vrij: de wil richt zich op zichzelf en is zijn eigen wet.
Alle kennis is daad-handeling Kennis ontstaat door de activiteit van het "ik". Het "niet-ik" (de buitenwereld) is een product van het denken. Het "ik" stelt het "niet-ik" — dus alle kennis is een scheppende daad van het "ik".
Dialectische methode Fichte gebruikt een driestappenstructuur:
These: Het ik stelt zichzelf.
Antithese: Het ik stelt een niet-ik.
Synthese: Het ik stelt een begrensd ik tegenover een begrensd niet-ik. Dit leidt tot het persoonlijke, empirische bewustzijn.
Invloed van Kant Fichte volgt Kant in het gebruik van dialectiek en de trichotomie van rede: theoretisch, praktisch en oordeelskracht.
Zelfschepping en bewustwording Het "ik" bestaat slechts in zoverre het zichzelf voortdurend herschept. Door de confrontatie met het "niet-ik" komt het "ik" tot zelfbewustzijn.